visie

Onze honden
aan het werk


Home

Nieuws:

*Cotation 4 Jatise
Amice en Aquine

Contact

Update datum:

20.01.17

De standaard voor de beauceron is door Frankrijk (land van herkomst) opgesteld en is in 2001 de laatste keer herzien.

FCI -standaard No.44 / 19 december 2001
BERGER DE BEAUCE ("BEAUCERON, BAS ROUGE")
(Vertaling: mw. N.B. Langereis en J. de Gids)

Kort historisch overzicht:

Hond van Beauce, beauceron en roodkous zijn namen die aan het eind van de 19e eeuw ontstaan zijn om de oude Franse herdershonden van de vlakte te benoemen, die van hetzelfde type waren, met het gladde haar aan het hoofd, de stugge en korte vacht en met gecoupeerde oren. Het lichaam had brand -aftekeningen, met name aan de uiteinden van de vier benen, dat ertoe heeft geleid dat de fokkers deze honden in die tijd roodkousen zijn gaan noemen. De meest voorkomende vacht was zwart met brand, maar er waren ook grijze honden of geheel zwarte, zelfs geheel roestbruine. Deze honden werden gefokt en geselecteerd op hun aanleg voor het drijven en bewaken van de schaapskudden

Algemeen voorkomen:

De beauceron is een grote hond, rustiek, stevig, krachtig, goed gebouwd en gespierd, maar zonder lomp te zijn.

Belangrijke verhoudingen:

De beauceron is gemiddeld van verhouding. De lengte van het lichaam, van boeggewricht tot zitbeen moet iets groter zijn dan de schofthoogte. Het hoofd is lang: 2/5 van de schofthoogte. De breedte van de schedel en de hoogte van het hoofd zijn iets minder dan de helft van de lengte van het hoofd. De schedel en snuit zijn van gelijke lengte.

Gedrag en karakter:

Vrij bij benaderen en zonder vrees. De uitdrukking is vrijmoedig, nooit vals, noch schuw noch onrustig. Het karakter van de beauceron moet braaf en onverschrokken zijn.

Hoofd:

Het hoofd is goed besneden met harmonische belijning. Van opzij bekeken lopen de bovenbelijning van de snuit en de schedel zowat parallel.

Achterhoofdsgedeelte :

Schedel: Vlak of licht gerond van de ene zijde naar de andere. De middengroef is slechts licht aangegeven, de achterhoofdsknobbel is zichtbaar op de top van de schedel.
Stop: de stop is slechts licht aangegeven en ligt op gelijke afstand van de achterhoofdsknobbel en de neuspunt.

Aangezichtsgedeelte:

Neus: In verhouding tot de snuit, goed ontwikkeld, nooit een hazenlip en altijd zwart.
Snuit: Noch smal noch puntig.
Lippen: Stevig en altijd goed gepigmenteerd. De bovenlip moet de onderlip bedekken, zonder enige vorm van losheid. In de mondhoek moeten de lippen een zeer licht zakje vormen dat altijd stevig moet zijn.
Kaken/ tanden: scharende sterke tanden.
Ogen: Horizontaal, licht ovaal van vorm. De iris moet donkerbruin zijn en in geen geval lichter dan donker hazelnootkleurig zelfs wanneer de brand licht van kleur is. Bij de arlequin -variëteit zijn blauwe ogen toegestaan.
Oren: hoog aangezet. Zij worden rechtop staand gedragen, wanneer zij gecoupeerd zijn, noch naar elkaar toe noch uit elkaar staand, de toppen licht naar voren wijzend. Het goed gedragen oor is dat, waarvan het midden op een denkbeeldige lijn staat, die in het verlengde van de hals loopt. Ongecoupeerde oren worden half rechtop staand of hangend gedragen. Zij mogen niet plakken. Zij zijn vlak en nogal kort. De lengte van het ongecoupeerde oor moet de helft van het hoofd beslaan.

Hals:

Gespierd, van goede lengte, harmonisch verlopend in de schouders.

Lichaam:

Bovenbelijning: De rug is recht. De lenden is kort, breed en goed gespierd. Het kruis is slechts licht hellend.
Schoft: Duidelijk zichtbaar.
Borstkas: De borstomvang is meer dan 1/5 groter dan de schofthoogte. De borstkas reikt tot de elleboog. Hij is breed, diep en lang.

Staart:

Gaaf, laag gedragen, tenminste tot de hak reikend, zonder naar links of rechts af te buigen, in een lichte haak in een J vorm gedragen. In actie mag de staart hoger gedragen worden, in het verlengde van de bovenbelijning.

Ledematen:

Voorhand: Recht, zowel van voor als van opzij bekeken.
Schouder: Schuin en van een gemiddelde lengte.
Onderarm: gespierd.
Voeten: Stevig, rond en gesloten. De nagels zijn altijd zwart. De kussens zijn hard maar desondanks veerkrachtig.

Achterhand:

Recht, zowel van achter als van opzij bekeken.
Dij: breed en gespierd.
Spronggewicht: Fors, niet te dicht bij de grond geplaatst, de hoek grofweg op/ van de schofthoogte, een goed geopende hoek vormend met het onderbeen.
Middenvoet: Moet bijna verticaal, iets achter de punt van het zitbeen, staan.
Voeten: Stevig, rond en gesloten.
Wolfsklauwen: De herders zijn traditioneel gehecht aan het behoud van de dubbele hubertusklauwen. De wolfsklauwen vormen goed gescheiden 'duimen' met nagels, nogal dicht aangezet bij de voet.

Gangwerk/ beweging:

Soepel en vrij. De ledematen bewegen goed eensporig. De beauceron moet een wijde draf met een uitgrijpende beweging hebben.

Vacht:

Haar: glad aanliggend op het hoofd, kort, dik, stevig en het ligt dicht tegen het lichaam aan, 3 tot 4 cm lang. De achterzijde van de dijen en de onderzijde van de staart zijn licht maar persé bevederd. De ondervacht is kort, fijn, dicht en donzig, bij voorkeur muisgrijs, zeer gesloten en is niet zichtbaar door de dekvacht.

Kleur:

a. Zwart met brand (zwart met roestbruine aftekeningen): 'roodkousen'. Het zwart is diepzwart en de brand, eekhoornrood gekleurd. De brandaftekeningen zijn als volgt verdeeld:

b. Arlequin (blauw gevlekt met roestbruine aftekeningen): Grijs, zwart met brand, de vacht is in gelijke delen grijs en zwart, de vlekken goed verdeeld, soms overheerst het zwart. De brandaftekeningen zijn gelijk aan die bij de zwart met brandvariëteit.
Een flauwe witte vlek op de voorborst is toegestaan.

Grootte:

Schofthoogte: Reu: van 65 cm -70 cm. Teef: van 61 cm - 68 cm.

Fouten:

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als fout aangemerkt worden, maar naarmate de ernst zwaarder aangerekend moet worden.

Diskwalificerende fouten:

N.B.: Reuen moeten twee normaal ontwikkelde volledig in het scrotum ingedaalde testikels bezitten.

Deze tekst is overgenomen uit het door de Beauceronclub Nederland uitgeven boek over de beauceron, waar de standaard uitgebreid aan bod komt.